BibleMio

Psalm 91: toevlucht, vertrouwen en beproeving

De beschermende beelden van Psalm 91 verwoorden vertrouwen, geen formule voor onkwetsbaarheid.

De context begrijpen

Het gedicht gebruikt schuilplaats, vleugels, schild, weg en gevaar als beelden. Het perspectief verschuift; aan het einde spreekt God over aanwezigheid bij wie roept. Lees de hele psalm om die beweging te volgen in plaats van een zin als talisman te gebruiken.

Een christelijke lezing

Een christelijke lezing betrekt Matteüs 4:5–7 erbij: bij Jezus’ verzoeking worden woorden uit de psalm aangehaald, maar hij weigert God te beproeven. Vertrouwen betekent geen gevaar creëren om een teken af te dwingen. Gods nabijheid in nood blijft centraal, ook als bevrijding anders komt dan verwacht.

Voor het lezen en het dagelijks leven

Kies een beeld om mee te bidden en benoem de angst die het raakt. Blijf voorzichtig en aanvaard nodige hulp. Ziekte of een ongeluk bewijst geen gebrek aan geloof. De psalm kan iemand in nood begeleiden zonder te beloven dat niets pijnlijks zal gebeuren.

Een vraag om over na te denken

Wat is het verschil tussen toevlucht zoeken en eisen nooit beproefd te worden?

De Bijbeltekst — Psalmen 91:1–16

Nederlands — De Heilige Schrift 1917

1 Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.

2 Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!

3 Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.

4 Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.

5 Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;

6 Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.

7 Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.

8 Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.

9 Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;

10 U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.

11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.

12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.

13 Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.

14 Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.

15 Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.

16 Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.

Lees de passages in hun context

Een persoonlijk Bijbelleesplan maken

Redactionele notities van BibleMio, opgesteld met AI-ondersteuning. Ze maken geen deel uit van de Bijbeltekst.

Verder ontdekken